Een vraag hebben?
3. Rechtsvermoedens
Rechtsvermoedens Arbeidsovereenkomst
De wetgever heeft de werknemer in een aantal gevallen met een rechtsvermoeden willen helpen.
Het rechtsvermoeden van artikel 7:610a
Artikel 7:610A BW geeft een bewijsvermoeden ten aanzien van het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Het artikel geeft drie elementen, namelijk (1) ten behoeve van een ander, (2) tegen beloning, en (3) gedurende drie opvolgende maanden tenminste 20 uur per maand werken.
Het betreft een bewijsvermoeden waar dus tegenbewijs mogelijk is. Dit kan bijvoorbeeld een overeenkomst tot opdracht zijn. Een schriftelijke overeenkomst zal tussen partijen kwalificeren als een onderhandse akte en kan dwingend bewijs opleveren. Dit ligt ook in het verlengde van de wetsgeschiedenis waaruit kan worden afgeleid dat het artikel niet van toepassing is, als er geen onduidelijkheid over de aard van de relatie is. Derden, zoals bijvoorbeeld fiscus, kunnen geen rechten ontlenen aan artikel 7:610A
Het rechtsvermoeden van artikel 7:610b
Artikel 7:610b helpt de werknemer indien er onduidelijkheid is over de omvang van de arbeidsovereenkomst. Indien een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, wordt de bedongen arbeid in enige maand vermoed een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden. Het artikel beoogt een handvat te bieden voor situaties waarin de omvang van de arbeidsovereenkomst niet of niet duidelijk is overeengekomen. Dit zal met name het geval zijn bij werknemers die bijvoorbeeld op een zogenaamd nul urencontract zijn begonnen of waarbij het werkzame uren in de loop van de tijd is toegenomen. Het kan voorkomen dat de laatste drie maanden niet representatief voor de gemiddelde omvang van de arbeidsovereenkomst. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat zowel de werkgever als de werknemer dan om een langere – meer resprestatieve – periode kunnen verzoeken.