Skip to main content
Categorieën
< Alle onderwerpen
Print

Overeenkomst van Opdracht

2. De overeenkomst van opdracht

 Met de toenemende druk op de arbeidsmarkt is het aantal personen dat – al dan niet via een besloten vennootschap – werk aanneemt op basis van een overeenkomst tot opdracht fors toegenomen. De reden daarvoor is vrij simpel. Een zelfstandige krijgt vaak meer betaald dan iemand in loondienst.
De overeenkomst van opdracht is de opdracht waarbij de ene partij (de opdrachtnemer) zich tegenover de andere partij (de opdrachtgever) zich verbindt om werkzaamheden te verrichten. De wet bepaalt in artikel 7:400 BW dat het niet mag gaan om om het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van werken of vervoerswerkzaamheden. De reden daarvoor is dat daarvoor specifieke wetgeving is. Daarbij bepaalt hetzelfde artikel dat het moet gaan om diensten “anders dan in loondienst”.
De opdrachtnemer dient zich te houden aan tijdige en verantwoorde aanwijzingen omtrent de uitvoering van de opdracht. Doet de opdrachtnemer dit niet, dan de opdrachtgever de opdracht opzeggen wegens gewichtige redenen (7:402).
Is er sprake van ondergeschiktheid, dan gelden de bepalingen van de arbeidsovereenkomst. Voor het kwalificatievraagstuk zie 1.1 en de vermoedens 1.3.

Op basis van artikel 7:401 BW dient de opdrachtnemer de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen. Hiermee is ook de lat van de aansprakelijkheid aangegeven. De opdrachtnemer dient te handelen zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot (HR 9 juni 2000). De exacte invulling hangt af van de omstandigheden van het geval en voor de verschillende beroepsgroepen is deze lat verder in de jurisprudentie ingevuld.

De opdrachtnemer doet verantwoording over de wijze waarop hij de overeenkomst heeft uitgevoerd.
In veel overeenkomsten is – in strijd met de werkelijkheid – bepaalt dat de opdrachtnemer de opdrachten onder zijn verantwoordelijkheid mag laten uitvoeren. Met andere woorden: de opdrachtnemer hoeft de werkzaamheden niet persoonlijk uit te voeren. Het uitgangspunt van de wet (7:404 lid 1) is echter dat de opdrachten persoonlijk worden uitgevoerd. De praktijk wijkt hier dus vanaf. Dat heeft alles te maken met de aard van de dienstverlening (de advocaat die een kantoorgenoot inschakelt) en de behoefte om toch een onderscheid te maken met de arbeidsovereenkomst. Partijen proberen dan het risico van kwalificatie als een arbeidsovereenkomst zoveel mogelijk te beperken. Indien partijen geen afspraken maken over de hoogte van de vergoeding, dan is de opdrachtgever een redelijk loon verschuldigd (7:405 lid 2).
In veel gevallen wordt in een overeenkomst van opdracht ook artikel 7:408 BW uitgesloten. Dat heeft ermee te maken dat de opdrachtnemer anders wordt beperkt in zijn mogelijkheden tot opzegging van de overeenkomst tot opdracht. Op basis van de wet kan de opdrachtgever altijd opzeggen en de opdrachtnemer alleen in het geval deze voor onbepaalde duur geldt en niet eindigt door de afronding van de opdracht.

 

Inhoudsopgave